Bidt zonder ophouden

Verschillen tussen de protestantse en de rooms-katholieke gebedspraktijk, geduid in ecclesiologisch perspectief

Marcel Sarot

Bron: Bidt zonder ophoudenSarot, Marcel. Published in: Kerk en Theologie. Publication date: 2008. Link to publication. Citation for published version (APA). Met toestemming overgenomen.

Inleiding

‘Bidden is een hartelijk gesprek met God de Here voeren, om Hem iets te vragen of Hem te danken. Het is de voornaamste vorm van persoonlijke omgang met God.’[1] Hier verwoordt Jan Hoek een gedachte die breed leeft binnen de protestantse kerken in Nederland, met name binnen de wat meer orthodoxe en evangelische modaliteiten daarbinnen. Het is de gedachte achter het verschijnsel ‘stille tijd,’ een dagelijks moment (ongeveer een kwartier tot een half uur) dat de gelovige reserveert voor bijbellezing en stil gebed, om op die wijze de relatie met God te onderhouden. Want ook die relatie behoeft, net als alle relaties, onderhoud. Wie vanuit deze praktijk naar de rooms-katholieke gebedspraktijk kijkt, wordt daar niet vrolijk van. Katholieken, zo hoort men vaak, verwaarlozen het vrije gebed en bidden louter formuliergebeden, die zij veelal ook nog eens op oneerbiedige wijze afraffelen. Het is niet moeilijk, van dat laatste voorbeelden te geven. Het bidden van vaste gebeden is op zich al dubieus – je laat een liefdesrelatie met een andere mens toch ook niet groeien door dagelijks hetzelfde liefdesgedicht op te zeggen! – maar als je het dan nog zonder aandacht doet ook…[2] Rooms-katholieken op hun beurt kijken met een mengeling van bewondering en ongemak naar de protestantse gebedspraktijk. Dat ongemak voelen zij zeker daar, waar van hen verwacht wordt dat zij aan het vrije gebed een bijdrage leveren. Daarvoor ontbreekt hun het vocabulaire, en zij beginnen onherroepelijk te hakkelen. Maar ook bij het aanhoren van zo’n vrij gebed voelt men zich al gauw ongemakkelijk, bijvoorbeeld wanneer nadrukkelijk gebeden wordt of de Here God of de goede Vader de gasten weer veilig naar huis wil begeleiden. Dit wordt al snel ervaren als een beetje overdreven. Tegelijk is er echter bewondering voor die protestanten die persoonlijk en eerbiedig tot hun almachtige Vader spreken – ook al is het taalregister waarin zij dat doen de katholiek ten enenmale vreemd.

Zelf leef ik al jaren op de grens van twee werelden – rooms-katholiek en protestant – en heb zo een ruime ervaring met het wederzijds ongemak opgebouwd. Tot voor enkele jaren was ik in mijn denken over het gebed, en in mijn gebedspraktijk, vergaand protestant, maar de afgelopen jaren is dat geleidelijk veranderd. Die verandering wordt gemarkeerd door mijn ontdekking van het rooms-katholiek getijdengebed en de theologische achtergronden daarvan. Inmiddels besef ik dat er achter dat getijdengebed een wereld schuilgaat, waar ik in het verleden geen weet van had, en dat er een totaal andere kerkvisie in wordt gepraktiseerd. In het licht hiervan heb ik ook een nieuw begrip gekregen van de rooms-katholieke gebedspraktijk meer in het algemeen. In dit artikel wil ik de gebedspraktijk van de rooms-katholieke kerk en die van het protestantisme tegenover elkaar zetten, en kort de onderliggende kerkvisies analyseren. Aangezien ik zelf aanvankelijk beter was ingevoerd in een protestante visie op het gebed, en ik vermoed dat het voor veel lezers van dit tijdschrift niet anders zal zijn, zal ik beginnen met een inleiding in de protestantse visie op het gebed. Daarna zal ik wat uitvoeriger ingaan in de visie die ik pas in tweede instantie heb leren kennen: de rooms-katholieke. Zo zal ik – zowel voor de lezer als voor mijzelf – het minder vertrouwde benaderen vanuit het meer vertrouwde. Tenslotte zal ik de achterliggende kerkvisies schetsen.

Alvorens te beginnen met mijn schets van protestantse en rooms-katholieke visies op het gebed, past een waarschuwing. Dé protestantse visie bestaat niet, evenmin als de rooms-katholieke. In beide gevallen schets ik een visie die ik aansluit bij laat twintigste-eeuwse praktijken die ik heb leren kennen, en die mij pas helder is geworden door gesprekken en lectuur. Het gaat dus om sterk contextueel bepaalde visies, en de wijze waarop ik ze verwoord heeft ook te maken met toevallige omstandigheden, zoals de boeken die ik gelezen heb. Ik werk de visies hier echter uit in de veronderstelling dat velen ze zullen herkennen en dat ze iets onthullen dat karakteristiek is voor twee alternatieve geloofstradities binnen het christendom.

Een protestantse visie op gebed

Mijn eerste kennismaking met de protestantse gebedstraditie was op de christelijke kleuter- en lagere school. De dag werd begonnen met een bijbelverhaal, en met gebed. De ‘juf’ dankte voor gezondheid, mooi weer, feestelijkheden enz., en bad om een goede dag, waarop wij veel mochten leren en aardig voor elkaar mochten zijn, om gezondheid voor zieke kinderen en ouders, om vrede op aarde en eten voor de kinderen die honger hadden, enz. God werd vaak aangesproken als ‘almachtige Vader,’ en die aanspreekvorm gaf goed de wijze aan waarop God in gebed werd benaderd: als een betrouwbare en betrokken vader, maar ook als een almachtige alleskunner, iemand die ver boven ons verheven was. Jezus werd niet direct aangesproken, maar wel werd elk gebed besloten met de vaste formule ‘zo vragen wij U in Jezus’ naam.’ Naast het gebed was er (op de lagere school) het ‘versje’: dat kon een psalm zijn, maar ook een lied van Johannes de Heer. Op maandag schreven wij het over, en voor de netheid kreeg je een cijfer. De maandag daarna moest je het uit het hoofd kennen, en daarvoor kreeg je opnieuw een cijfer. Tussendoor leerde je het ook nog zingen. Ook het Onze Vader leerden en baden wij. Zo werden ons teksten aangereikt waarmee wij ons tot God konden richten, teksten van vrij gebed – maar waarin bepaalde zinswendingen wel steeds terugkeerden – en vaste liedteksten. Wij gingen thuis niet naar de kerk, maar toen ik later op een protestants kinderkoor ging, trof ik in de kerk – in volwassenentaal, dat wel – min of meer dezelfde praktijk aan. Nu was het de predikant die bad, en hij deed dat wat gedragener dan onze leerkracht, maar een fundamenteel verschil heb ik niet kunnen ontdekken.

De kinderen werden aangemoedigd, ook zelf te bidden – ’s ochtends bij het opstaan, voor het eten en bij het slapengaan. Wij leerden dat wij met alles naar God konden gaan, dat er niets is dat hem niet interesseert of dat Hij gek vindt. Op de middelbare school kwam ik in aanraking met Youth for Christ, en de gebedspraktijk daar sloot goed aan bij wat ik uit school en kerk kende, met dien verstande dat nog meer de nadruk werd gelegd op het persoonlijk gebed – in de vorm van ‘stille tijd’ – en dat naast dankgebed en vraaggebed de lofprijzing een grotere plaats kreeg. Verder werd God iets minder op een afstand geplaatst. Ik ben dankbaar voor wat ik op school, in de protestantse kerk, bij de Youth for Christ en op diverse ander plaatsen meegekregen heb: ik heb daar leren bidden. Voor mij was het natuurlijk, te danken voor het goede dat ik kreeg; daar leerde ik de woorden, en het adres. Al in een kinderleven zijn er allerhande zorgen en onzekerheden, en het is goed daarover te leren bidden. Ik betwijfel of ik op een rooms-katholieke basisschool een dergelijke goede basis had meegekregen.

Toen ik theologie ging studeren, nam het gebed een centrale plaats in in de colleges van de godsdienstwijsgeer Vincent Brümmer. Die colleges vonden later een weerslag in zijn Wat doen wij als wij bidden?[1] Uitgangspunt van dit boek was het vraaggebed – en dat sloot goed aan bij mijn ervaring dat het vraaggebed in de praktijk de meest centrale gebedsvorm is, ook al zou dat in principe wellicht anders moeten zijn.[2] Brümmer schetste een dilemma met twee hoorns. Is het vraaggebed bedoeld om God te beïnvloeden? Maar God zal toch altijd het beste voor ons willen, ook als wij niet bidden? Is het dan bedoeld om onszelf te beïnvloeden, doordat wij ons meer op God richten? Ook dat kan haast niet waar zijn, want zodra wij door hebben dat vraaggebed niet bedoeld is om God te beïnvloeden, maar om onszelf te beïnvloeden, zullen wij ophouden met bidden. Brümmer loste dit dilemma op door te stellen dat gebed niet bedoeld is om God óf de mens te beïnvloeden, maar om de relatie tussen beide te beïnvloeden. ‘Als we […] veronderstellen dat het vraaggebed erop gericht is, de relatie tussen God en mens te beïnvloeden, en dat deze relatie een persoonlijke relatie is, dan moet het vraaggebed erop gericht zijn zowel God als degene die bidt te beïnvloeden. God wordt gevraagd te handelen, en degene die bidt stelt zichzelf beschikbaar als een secondaire oorzaak door wie God kan handelen.’[3]

Brümmer citeert een aantal keren Calvijn ter ondersteuning van deze opvatting. Voor Calvijn is het gebed ‘de voornaamste oefening des geloofs.’[4] Bij Calvijn, die het langste hoofdstuk van zijn Institutie aan het gebed heeft gewijd, lezen wij hoe gebed de enige manier is om de eeuwige zaligheid – die wij op eigen kracht niet kunnen verwerven – te bereiken.[5] Ook Calvijn stelt de vraag, of God niet al onze behoeften bij voorbaat al kent, zodat het overbodig is dat wij Hem vragen. Híj antwoordt dat wie deze vraag stelt, nog niet goed doorheeft waarom de Heer ons heeft leren bidden. Wij moeten onszelf trainen, zodat ons hart nooit lauw wordt, maar altijd vurig begeert, God te zoeken. Wij moeten onszelf eraan wennen, ons hart voor God open te leggen, zodat wij er ook leren, niets in ons hart toe te laten dat God onwelgevallig is. En zo weet Calvijn nog een aantal belangrijke effecten van het gebed op het hart van de gelovige te noemen.[6] Hiertoe is het natuurlijk wel van belang dat wij ons concentreren, en dat wij onze gedachten niet op onwaardige wijze af laten dwalen.[7] De gezindheid waarmee wij ons tot God richten is van groot belang voor Calvijn. Hij formuleert ‘vier wetten om recht te bidden’: met een volmaakt geloof, boetvaardig, met vurige ijver en met wel geordende begeerten.[8] Ook van belang is dat wij bidden in Jezus’ naam, niet op voorspraak van de heiligen.[9] Hoewel bij Calvijn ‘persoonlijke relatie’ geen sleutelterm is, laat deze term zich goed gebruiken om het kader waarbinnen Calvijn het gebed plaatst, te karakteriseren. In het gebed richt de gelovige zich, in alle intimiteit, tot zijn of haar God.

Voor Calvijn is het ideale gebed niet een gebed van de gelovige gemeenschap, maar een privé-gebed achter een gesloten deur in de binnenkamer. Het voorschrift onophoudelijk te bidden, heeft ook op de eerste plaats betrekking op dit privé-gebed, niet op het gebed van de kerkelijke gemeenschap, dat immers beperkt is tot bepaalde afgesproken uren.[10] Dit betekent overigens niet dat Calvijn gebed en zang in de kerk afwijst; integendeel![11] De nadruk ligt echter meer op de vertrouwelijke omgang van God en het individu.[12] Die tendens[13] is in de tweede helft van de zeventiende en in de achttiende eeuw nog versterkt, mede door de opkomst van het piëtisme. In Duitsland uit deze ontwikkeling zich in leideren als ‘Jesu, meine Freude’ en ‘Ich will dich lieben meine Stärke,’ in Nederland – waar de gemeentezang beperkt was tot Psalmen – worden de Psalmen in toenemende mate geïnterpreteerd als ‘persoonlijke geestelijke liederen.’ Psalm 23 wordt dan het individuele getuigenis dat Jezus mijn herder is, of een individuele smeekbede of Hij mijn herder wil zijn.

Een rooms-katholieke visie op gebed

Uit de rooms-katholieke gebedspraktijk zijn, naast het ‘afraffelen’ van vaste gebeden en het bidden tot de heiligen, nog twee andere praktijken alom bekend. De eerste is de monastieke gebedspraktijk, waarbij kloosterlingen een groot deel van de dag biddend in de kerk of in hun eigen kluis doorbrengen, in sommige gevallen zelfs zo’n groot deel, dat het hun belangrijkste activiteit is. Alles wat zij daarnaast nog doen, is van ondergeschikt belang. Het betreft nevenactiviteiten. De tweede is het breviergebed. Van rooms-katholieke priesters uit het verleden is bekend, dat zij ‘brevieren.’ Daarbij zie je als vanzelf een plaatje voor je van een welgedane pastoor die wandelt door de tuin van zijn pastorie, de gebeden uit het zwarte gebedenboek dat hij in handen houdt zacht voor zich uit prevelend. Dit laatste beeld verbinden wij met het verleden eerder dan met het heden. Tegenwoordig zie je dit priesters niet meer doen. Het lijkt soms wel, alsof er buiten de rooms-katholieke kerk meer aandacht voor het breviergebed is dan daarbinnen.[14]

Het breviergebed was een complex en veeleisend gebedsritme, dat van de priester vroeg op verschillende momenten van de dag een serie voorgeschreven gebeden te bidden. Het betrof hier in volgorde: metten, lauden, priem, terts, sext, noon, vesper en completen. De Psalmen vormden het hoofdbestanddeel van het breviergebed; wekelijks werden alle 150 Psalmen gebeden. Het breviergebed was voor de priester niet vrijwillig, maar verplicht; volgens het kerkelijk wetboek van 1917 was het een moreel zware verplichting, dagelijks vóór middernacht alle voorgeschreven gebeden integraal te reciteren.[15] In de praktijk kwam het er vaak op neer dat een priester ‘na een volle dag van praten en sjouwen, ’s avonds laat nog in allerijl de resterende “uurtjes” trachtte “af te bidden”; soms “stond” daar dan nog het hele brevier van die dag.’[16] Het is onder deze omstandigheden niet zo verwonderlijk, dat toen ten gevolge van de ontwikkelingen in de rooms-katholieke kerk tijdens en na Vaticanum II de gelovigen zich massaal onttrokken aan de biecht, de geestelijken ophielden te brevieren.[17] Evenmin als de biecht echter ooit officieel werd afgeschaft, is het brevier afgeschaft. Wel werd het gemoderniseerd en vereenvoudigd: naast lauden en vesper bleven slechts een lezingendienst, een gebed overdag en een dagsluiting over. Daarnaast vond een aantal andere vernieuwingen plaats, waaronder het vertalen van de aangeboden teksten in de landstaal. In Nederland verscheen in 1970 als tijdelijk getijdenboek Gebeden voor elke dag; in 1971 verschenen daarbij 12 bijlagen met schriftlezingen voor elke dag volgens een tweejarige cyclus. De definitieve tekst van het nieuwe getijdenboek werd in 1990 voltooid. Het betreft opnieuw een dik basisboek, dit keer met 18 bijlagen, en ondanks de vereenvoudigingen blijft het een gecompliceerd geheel, zodat menige priesterstudent wel eens heeft verzucht: ‘Heer, leer ons bladeren.’

Lang niet alle priesters die in de jaren zestig ophielden te brevieren, hebben het getijdengebed inmiddels weer hernomen. De jongere generatie geestelijken ziet het echter weer als een belangrijke taak, en de theologie van het getijdengebed is bijzonder inzichtgevend voor de wijze waarop de rooms-katholieke kerk haar gebedspraktijk probeert vorm te geven. Daarom ga ik er hier toch met enige uitvoerigheid op in. Daarbij is het om te beginnen van belang dat wij ons realiseren dat het getijdengebed in principe hetzelfde is als het monastieke gebed. Het wordt gezien als ‘een plicht … van de kerk’[18] die door kloosterlingen, geestelijkheid en alle gelovigen – in die volgorde – tezamen dient te worden volbracht. In de praktijk komt het hierop neer: (1) in kloosters wordt (een groot deel van) het getijdengebed daadwerkelijk gemeenschappelijk gebeden.[19] (2) Geestelijken zijn verplicht het getijdengebed te bidden, hoewel deze verplichting minder sterk dan in het verleden wordt beklemtoond en wordt erkend dat het niet altijd mogelijk zal zijn, het hele getijdengebed te bidden.[20] Voor ‘gewone’ gelovigen is het aanbevolen, (delen van) het getijdengebed te bidden.[21]

Wat is de gedachte achter het getijdengebed? Waarom is het getijdengebed van belang? Op de eerste plaats wordt het bidden van het getijdengebed gezien als een vervulling van de opdracht van Jezus, steeds te bidden en daarin niet te versagen (Luc. 18:1), die een echo vindt in het Paulijnse ‘Bidt zonder ophouden’ (1 Thess. 5:17).[22]H ‘Getijdengebed’ is dan ook een Nederlandse vertaling van het Latijnse Liturgia horarum, de liturgie van de gebedsuren of getijden.[23] Middels het getijdengebed wil de kerk de uren van de dag heiligen met gebed.[24]

De kerk ziet dit gebed niet op de eerste plaats als een biddende reactie op Gods handelen, maar als een voortzetting van een initiatief van God zelf, meer in het bijzonder als een voortzetting van het gebed van Jezus. Jezus heeft zich tijdens zijn aardse leven doen kennen als een man van gebed;[25] de kerk ziet het als haar taak, na Zijn Hemelvaart dit gebed van Christus ononderbroken voort te zetten.[26] Het is om deze reden dat het Psalmboek het hoofdbestanddeel vormt van het getijdengebed: het Psalmboek was Jezus’ gebedsboek, en door de Psalmen te bidden zet de kerk het gebed van Jezus voort.[27] Het getijdengebed wordt dan ook liever gekarakteriseerd als ‘voedsel voor persoonlijk gebed’ dan als persoonlijk gebed.[28] In dit opzicht verschilt het getijdengebed niet van andere vormen van liturgie: in de liturgie kan persoonlijk gebed een plaats hebben, maar niet alle liturgie is persoonlijk gebed. De kerk bidt derhalve met Christus.[29] Sterker nog, omdat na Jezus’ Hemelvaart de Kerk zich het lichaam van Christus weet, kan en mag zij het getijdengebed zien als het gebed van Christus’ zelf, die als hoofd van de kerk Zijn lichaam inschakelt in de voortzetting van Zijn aardse gebedspraktijk. In het gebed van de kerk zet Jezus zelf Zijn gebed voort.[30] Zoals Augustinus het al verwoordde: Jezus ‘bidt in ons als ons hoofd.’[31] Omdat de kerk het als haar taak ziet, het werk van Christus op aarde voort te zetten en gebed tot het wezen van dat werk behoort, is het getijdengebed een wezenlijk onderdeel van de liturgie van de kerk.[32] Ook wanneer men thuis alleen in de binnenkamer het getijdengebed bidt, neemt men deel aan de liturgie van de kerk.[33]

Het feit dat het getijdengebed geen initiatief van het gelovige individu is, en zelfs niet van de kerkgemeenschap, maar van Christus zelf, en dat Hij het is die het in ons bidt, heeft ook gevolgen voor de gesteldheid waarmee het gebeden wordt. In uiterste consequentie zou men kunnen redeneren dat wanneer de kerk slechts het lichaam is en Christus het hoofd, het er niet toe doet of men met hoofd en hart is bij de teksten die men bidt; het gaat erom, dat men ze zegt en dat Christus er met hoofd en hart bij is. Deze uiterste consequentie heeft de kerk nooit getrokken. Steeds weer wordt beklemtoond dat het van belang is met hoofd en hart bij het gebed te zijn en dat men met aandacht moet bidden.[34] In de woorden van mgr. Bluyssen: ‘Het gaat om bidden, niet om een formeel afwikkelen van voorgeschreven formules!’[35] Toch moge duidelijk zijn, dat het dagelijks met volle aandacht reciteren van het hele getijdengebed een welhaast bovenmenselijke opgave is, en dat slechts weinigen daar ook maar in de buurt zullen komen. Deze bovenmenselijke prestatie is derhalve geen voorwaarde voor de zinvolheid van het getijdengebed. Een zinvolle beoefening van het getijdengebed begint met het getrouw reciteren van de teksten, waarbij men probeert de aandacht erbij te houden. In het bidden met aandacht moet men groeien. De huidige paus verwoordt dat in zijn Jezusboek als volgt:

De heilige Benedictus heeft in zijn Regel de volgende uitdrukking gebruikt: ‘Mens nostra concordet voci nostra’ – onze geest moet zich bij de klank van onze stem voegen (Reg 19,7). Doorgaans komt het denken eerst. De gedachte zoekt en vormt het woord. Maar bij het psalmgebed en bij ieder liturgisch gebed is het andersom: het woord, onze stem begint, en onze geest moet zich aansluiten bij die stem. Want uit onszelf weten wij mensen niet ‘hoe wij moeten bidden’ (Rom 8,26)[36]

Wil onze geest zich op deze wijze aansluiten bij onze stem, dan is het vooreerst van belang dat wij onze geest niet in beslag laten nemen door bijzaken als: Waar staat het volgende gebed? en Welke vaste formule gebruik ik ook alweer om dit gebed te besluiten? Men moet zijn weg leren vinden in het getijdenboek, zodat het vinden van de juiste gebeden ‘op de automatische piloot’ gaat. Ook dan zal men de steun en de inspiratie van de Heilige Geest nodig hebben en houden.[37]

In deze gebedsopvatting is het derhalve niet van belang dat men elke gebedstekst die men zegt, ten volle kan onderschrijven, dat elke gemoedsbeweging die men tot uitdrukking brengt ook daadwerkelijk de innerlijke gemoedstoestand weerspiegelt. Juist het bidden van teksten die niet in je op zouden komen kan het geestelijk leven verdiepen. Hierover laat ik graag paus Benedictus XVI nog een keer aan het woord:

Wij hebben echter ook altijd aanknopingspunten nodig in gebedsformuleringen, waarin de Kerk als geheel of individuele gelovigen hun ontmoeting met God hebben neergelegd. Want zonder die hulp bij het gebed wordt ons eigen bidden, en ons Godsbeeld, subjectief. Dan zegt het tenslotte meer over onszelf dan over de levende God. In de woorden van het gebed, voortgekomen eerst uit het geloof van Israël en later uit het gelovig bidden van de Kerk, leren wij God kennen, en ook onszelf. Ze zijn een leerschool voor het gebed, veranderen ons leven, maken het open.[38]

En wanneer het gebed gemoedstoestanden tot uitdrukking brengt die niet de eigen zijn, dient men te beseffen dat men de gebeden niet zegt bij wijze van allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie, maar uit naam van het hele lichaam van Christus, of beter nog in de persoon van Christus zelf. Als men dit voor ogen houdt, verdwijnen de moeilijkheden die bij het zingen van de psalmen kunnen opkomen, wanneer men bemerkt dat zijn eigen gevoelens niet stroken met die van de psalm: zo bijvoorbeeld als men droevig gestemd een jubelpsalm zingt, of met blij gemoed een klaagpsalm. […] Wie uit naam van de kerk psalmen zingt, kan altijd een reden tot vreugde of droefheid vinden, want ook in deze zin blijft het gezegde van de Apostel van kracht: ‘Verblijdt u met de blijden en weent met hen die wenen.’[39]

Door op deze wijze het gebed tot een taak van de gemeenschap te maken, waarbij het individu zich voegt in de gemeenschap en accepteert dat gezindheid en aandacht deels op de woorden volgen, en niet altijd aan de woorden voorafgaan, wordt een zekere druk van het gebed gehaald. Die druk kan er in extreme gevallen toe leiden dat mensen ophouden te bidden, omdat zij er niet in slagen op met de juiste gezindheid en aandacht te bidden. C.S. Lewis beschrijft in zijn autobiografie hoe dit proces een saillante rol speelde in het proces waarlangs hij als tiener zijn geloof verloor. Als hij zijn gebed niet met aandacht had gebeden, deed hij het overnieuw, en mislukte het weer, dan deed hij het nogmaals, enz. En als het steeds maar niet wilde lukken, dan bad hij om de juiste aandacht. Maar ook dat gebed moest natuurlijk met de juiste aandacht worden uitgesproken, enzovoort. Zo kwam jij terecht in een oneindige regressie die hem moedeloos maakte, en waaraan (bij het avondgebed) slechts de slaap een einde maakte. [40]

Laat ik ter afronding van wat ik te zeggen heb over de rooms-katholieke gebedscultuur nog heel kort iets zeggen over twee andere vormen van rooms-katholiek gebed waarover veel misverstanden bestaan: gebeden tot heiligen, en het rozenkransgebed. Vanuit theologisch perspectief zijn gebeden tot heiligen geen gebeden, maar verzoeken aan medegelovigen om voor ons te bidden. De rooms-katholieke kerk gelooft dat de geloofsgemeenschap niet alleen de levende gelovigen omvat, maar ook hen die overleden zijn en nu reeds bij God zijn. Zoals het elke christen vrijstaat een medechristen om gebed te vragen, kan een rooms-katholieke christen vanuit deze gedachte dit verzoek zelfs bij een overleden medegelovige, van wie hij gelooft dat deze bij God is, neerleggen. Van de heiligen heeft de kerk officieel uitgesproken dat zij bij God zijn; daarom is het in het rooms-katholiek denken volstrekt legitiem, hen te vragen voor ons te bidden. Ik geeft toe dat het volksgeloof vaak formuleringen gebruikt die verder gaan, en die ten onrechte suggereren dat de heiligen zelf ‘gebedsverhoorders’ zijn: ‘Heilige Antonius beste vrind, geef dat ik mijn sleutels weer vind.’

Tenslotte het rozenkransgebed. Dat bestaat in wezen uit een reekts Weesgegroetjes en Onzevaders. Ik geef de tekst van het Weesgegroet: ‘Wees gegroet Maria, vol van genade. De Heer is met U. Gij zijt de gezegende onder de vrouwen, en gezegend is Jezus, de vrucht van Uw schoot. Heilige Maria, Moeder van God, bid voor ons zondaars, nu en in het uur van onze dood.’ Allereerst constateer ik, dat de laatste bede bevestigt wat ik zojuist over het ‘gebed’ tot de heiligen zei. Vervolgens merk ik op, dat de rooms-katholiek het Weesgegroet verstaat als een vervulling van het Schriftwoord ‘Van nu af zullen alle geslachten mij zalig prijzen’ (Luc. 1:49), en dat de tekst grotendeels een combinatie is van de woorden van de engel tot Maria (Luc. 1:28) en de woorden van Elisabeth tot Maria (Luc. 1:42). Tenslotte merk ik op, dat het rozenkransgebed, waarbij steeds tien Weesgegroetjes aaneengeregen worden, niet zozeer een gebed is, als wel een meditatietechniek, waarbij men tijdens het uitspreken van de woorden van elk ‘tientje’ een van de ‘geheimen’ van de rozenkrans overweegt. Traditioneel zijn er vijftien ‘geheimen’; paus Johannes-Paulus II heeft er nog vijf aan toegevoegd. De ‘geheimen’ zijn feiten uit het leven van Jezus. Ik noem vijf van de traditionele geheimen: de droevige geheimen: 1. Jezus bidt in doodsangst tot zijn hemelse Vader (Matt. 26:38–45); 2. Jezus wordt gegeseld (Matt. 27:26); 3. Jezus wordt met doornen gekroond (Matt. 27:29); 4. Jezus draagt zijn kruis naar Golgotha (Joh. 19:17); 5. Jezus sterft aan het kruis (Joh. 19:30). Geheel tegen de schijn dat het bij het rozenkransgebed gaat om een onbijbelse Mariaverering in, gaat het feitelijk om meditatie over het leven van Jezus. Dit verklaart ook, waarom juist dit gebed zo ‘afgeraffeld’ wordt: de aandacht is niet bij de woorden, maar bij de geheimen, en de woorden fungeren slechts als een soort voertuig voor de overdenking van de geheimen. Hoewel ik toe moet geven dat die overdenking in de praktijk niet altijd grote hoogten bereikt, ben ik er van overtuigd dat elke katholiek die de rozenkrans bidt, de traditionele vijftien geheimen uit het hoofd kent en zich er tenminste van bewust is dat zij eigenlijk over deze geheimen zou moeten mediteren.

Gebed en kerk: ecclesiologische conclusies

De bovenstaande vergelijking van protestante en rooms-katholieke visies op het gebed maakt duidelijk, dat die visies teruggaan op een totaal andere opvatting van de relatie van God en mens, en daarmee ook op een andere kerkopvatting. Ter afsluiting wil ik die alternatieve opvattingen nog iets scherper tegenover elkaar zetten, niet vanuit een behoefte om te polemiseren, maar juist vanuit een behoefte om het wederzijds begrip te vergroten.

In het protestantisme gaat het in het gebed om het onderhouden van de relatie tussen God en individuele gelovigen. Dat stelt hoge eisen aan het gebed: een mens moet in alle eerlijkheid en in eigen woorden voor God leggen wat zijn hart bezighoudt, opdat de relatie met God kan groeien. Dit moet met aandacht en eerbied gebeuren, want een geliefde benader je met aandacht, en God benader je met eerbied. Door aan God voor te leggen wat ons hart begeert, zuiveren wij onze wensen, en leren wij de vervulling ervan te zien als een in dankbaarheid te aanvaarden geschenk van God. De kerkelijke gemeenschap kan ons hierbij op allerlei manieren helpen: wij leren daar bidden, en wij bidden er ook samen.[41]

In de rooms-katholieke kerk is de relatie tussen God en mens niet op de eerste plaats een relatie tussen God en individuele gelovigen, maar tussen God en de kerk. In dit opzicht is het rooms-katholicisme meer dan het protestantisme een erfgenaam van het jodendom, waar de relatie tussen God en het verbondsvolk ook voorafgaat aan de relatie tussen God en het individu. Dit vind men sterk terug in rooms-katholieke opvattingen van het gebed: het gebed van de individuele gelovige is op de eerste plaats een bijdrage aan het gebed van de kerk, niet het onderhouden van een persoonlijke relatie met God. Dit uit zich onder meer in het gebruik van voorgeschreven, kerkelijke teksten. De authenticiteit van gebed is veel minder belangrijk dan in het protestantisme; als men de voorgeschreven teksten bij herhaling bidt, sluit de geest zich daar geleidelijk bij aan. Het komt ook uiting in het gebedsverkeer met de heiligen als eminente leden van Gods nieuwe verbondsvolk. Het sterkst komt deze ecclesiale gebedsstructuur daar tot uitdrukking, waar de kerk als het Lichaam van Christus wordt gezien, en het kerkelijke gebed als een voortzetting van het gebed van Christus. Bidden wordt dan primair een manier om Christus in de wereld present te stellen. Zoals Karl Barth aan het eind van zijn leven in een interview over de rooms-katholieke kerkopvatting opmerkte: ‘Ook voor de progressieven blijft de kerk toch maar een soort prolongatie van Christus Zelf: de kerk kan bij “Rome” als het ware geen moment “tegenover” Christus gesteld worden. … Wij protestanten … hebben … het inzake Rome moeilijk met de prolongatie van Christus in de kerk.’[42]

Achter de verschillende opvattingen over het gebed gaan dus verschillende manieren van denken over de kerk schuil. In het rooms-katholiek denken neemt de kerk een veel centralere plaats in dan in het protestante, en heeft men sterk de neiging om de gemeenschap prioriteit te geven boven het individu. Natuurlijk worden er verschillende metaforen gebruikt; twee bekende zijn: Gods volk onderweg en het mystieke lichaam van Christus. Hoewel beide metaforen in hun uitwerking andere implicaties hebben, hebben zij gemeen dat zij de gemeenschap voorop stellen. Natuurlijk zijn deze metaforen niet voorbehouden aan het rooms-katholicisme. De metafoor van het Mystieke Lichaam van Christus is afkomstig van Paulus, en er was zelfs een tijd dat de Romana daar aarzelingen bij had omdat zij de metafoor ervoer als te protestants! Maar ik ben niet de eerste die opmerkt, dat protestanten minder kerkelijk zijn in hun denken, en uiteindelijk de relatie tussen God en het individu vooropstellen. Voor mij persoonlijk is het inzicht in dit fundamentele verschil tussen protestant en rooms-katholiek denken heel verhelderend geweest om de verschillen tussen de protestantse en de rooms-katholieke gebedscultuur te begrijpen. Ik hoop dat dit voor de lezer ook zo is.

Tenslotte: dit artikel is primair gericht op het kweken van wederzijds begrip tussen protestanten en rooms-katholieken, en omdat ik verwacht dat Kerk en theologie meer door protestanten wordt gelezen dan door rooms-katholieken, nog wel het meest op het kweken van begrip voor rooms-katholieken bij protestanten. In bepaalde formuleringen klinkt vermoedelijk de ontdekkersvreugde door van de rooms-katholiek die ontdekt heeft dat de gebedspraktijk van zijn eigen kerk niet, zoals hij lang gedacht heeft, inferieur is aan de protestantse maar anders gemotiveerd. In haar anders zijn heeft zij recht van bestaan en is zij ook – zo kan ik inmiddels met enige ervaring schrijven – inspirerend en leefbaar. Ik ben er echter van overtuigd dat het bij deze gebedspraktijken geen kwestie is van een radicale keuze, een òf òf. Beide praktijken zijn waardevol in zichzelf en beide praktijken vullen elkaar aan. De metaforen die wij gebruiken in ons denken over de kerk drukken iets werkelijks uit over de kerk (met een bekende Engelse term: zij zijn ‘reality depicting’[43]), maar tegelijkertijd zijn het geen schaalmodellen van de werkelijkheid. Zij trekken de werkelijkheid scheef, en vatten die altijd maar ten dele. Metaforen ‘always contain the whisper: “it is and it is not.”’[44] Daarom mogen wij de metaforen uit onze eigen traditie niet verabsoluteren! Ik denk dat de rooms-katholieke traditie iets van het protestantisme heeft te leren op het terrein van het onderhouden van een persoonlijke relatie met God, en in denk dat het protestantisme iets van de Romana heeft te leren waar het gaat om het centrale belang van de gemeenschap. Dat leren moet op twee niveaus gebeuren: dat van de praktijk, en dat van de theorie of theologie. Het helder onderscheiden van de verschillen, zoals ik dat in deze bijdrage heb gedaan, is slechts bedoeld als een eerste aanzet hiertoe.

Marcel Sarot (*1961) is UUF hoogleraar ‘theologie als wetenschapsgebied’ aan het departement Godgeleerdheid van de UU en permanent diaken van het aartsbisdom Utrecht.


[1] Ondertitel: Een studie in de wijsgerige theologie (Kampen: Kok, 1985)

[2] Hierover is de protestantse traditie verdeeld. De Heidelbergse Catechismus ziet gebed allereerst als een werk van dankbaarheid (Z45 v116), maar bij de vraag naar de inhoud van het gebed (Z45 v118) gaat het over ‘geestelijke en lichamelijke nooddruft.’ In Z50 v125 komt het tot een synthese: wie al zijn noden aan God voorlegt, kan wanneer in die noden voorzien wordt, dit dankbaar als een werk Gods erkennen. Luther gispt de monastieke gebedspraktijk in de rooms-katholieke kerk, waarin psalmen en andere vaststaande gebeden worden uitgesproken (hij heeft het over een ‘Tag und Nacht mörderisch heulen und murmeln’) omdat het gebed daar te weinig vraaggebed is. Echt bidden is volgens hem ‘Gott anrufen in allen Nöten.’ ‘Ein Gebet, in dem nichts von Gott begehrt wird, is kein Gebet.’ Martin Luther, Der Große Katechismus/Die Schmalkaldische Artikel (Gütersloh: Gerd Mohn, 21977), 106, 109 (in de inleiding op het Onze Vader).

[3] Brümmer, Wat doen wij als wij bidden?, 86-87.

[4] Zo zegt Calvijn het in de titel van boek III hfdst. 20 van zijn Institutie (vert. Sizoo); Vgl. Brümmer, Wat doen wij?, 25.

[5] Calvijn, Institutie III 20 1-2.

[6] Calvijn, Institutie III 20 3.

[7] Calvijn, Institutie III 20 5.

[8] Calvijn, Institutie III 20 4-16, 31.

[9] Calvijn, Institutie III 20 19-27.

[10] Calvijn, Institutie III 20 29. Vgl. Lindenberg, Zo bidt de mensheid, 168–171.

[11] Calvijn, Institutie III 20, 30, 32.

[12] Vgl. ook Calvijns Commentaar op Jesaja, ad 63:16, en K.H. Miskotte, ‘Van verborgen omgang’, in: Miskotte, In de gecroonde allemansgading (Nijkerk: Callenbach, 1946), 95–120.

[13] De nu volgende passage is gebaseerd op ongepubliceerd werk van dr. Arie Eikelboom, dat hij mij welwillend ter hand stelde. Het betreft hier een uitwerking en onderbouwing van stelling 8 bij zijn proefschrift, Jesu meine Freude: BWV 227 van Johann Sebastian Bach, een praedicatio sonora (Zoetermeer: Boekencentrum, 2007): ‘De beperking van de kerkzang tot het berijmde psalter heeft ertoe geleid dat de psalmen hier te lande persoonlijke geestelijke liederen zijn geworden.’

[14] Vgl. Bijv. Willem Barnard, Stille omgang.

[15] Vgl. Codex Iuris Canonici (1917), can. 135; op internet: http://www.jgray.org/codes/cic17lat.html.

[16] J. Bluyssen, Het vernieuwde getijdengebed: Toelichting bij de volledige uitgave van gebeden voor elke dag (Zeist: Nationale Raad voor Liturgie, 1990), 8.

[17] Bluyssen, Het vernieuwde getijdengebed, 8.

[18] Vaticanum II, Constitutie over liturgie Sacrosanctum Concilium nr. 85; Ned. vert. op internet toegankelijk via www.rkdocumenten.nl.

[19] Vgl. de Institutio generalis van de Postconciliaire Raad voor de Liturgie, gedateerd 2 februari 1971, in het Ned. vertaald als de Algemene inleiding op het getijdengebed, in: Nationale Raad voor Liturgie, Getijdenboek: Gebeden voor elke dag: Algemene inleiding/Eigen teksten voor de heiligen van de Nederlandse bisdommen (Zeist 1990), nr. 24, 31b.

[20] Algemene inleiding op het getijdengebed nr. 25, 28-30.

[21] Zo beveelt Vaticanum II, Constitutie over liturgie Sacrosanctum Concilium nr. 100 aan: ‘Ook de leken wordt aanbevolen, het goddelijk officie te bidden, ofwel samen met de priesters ofwel met elkaar of ook alleen’ en ‘De zielenherders moeten ervoor zorgen, dat de voornaamste Uren, vooral de vespers, op zondagen en grotere feesten gemeenschappelijk in de Kerk worden gevierd.’ Vgl. Algemene inleiding op het getijdengebed nr. 20-23, 27, 32 en. Bluyssen, Het vernieuwde getijdengebed, 5-6. Zie ook het ‘Voorwoord’ van bisschop R.Ph. Bär in Bluyssen, Het vernieuwde getijdengebed, 3. Hoewel de kerk de afgelopen jaren verschillende pogingen ondernomen heeft de ‘leken’ bij het getijdengebed te betrekken – in Nederland onder meer door het uitbrengen van een vereenvoudigd getijdenboek voor gebruik door kinderen (Getijdenboekje voor kinderen: Bidden met de Kerk ’s morgens en ’s avonds en het hele jaar door [’s Hertogenbosch: NRL, 2007]) – heb ik niet de indruk dat het succes van deze pogingen meer dan marginaal is.

[22] Congregatie voor de eredienst, Decreet prot.nr. 1000/71, in: NRL, Algemene inleiding/Eigen teksten, blz. 5; vgl. Sacrosanctum Concilium nr. 86. Vgl. ook Kol. 3:15, Ef. 5:19-20, Hebr. 13:15, Algemene inleiding op het getijdengebed nr. 5, 10, Bluyssen, Het vernieuwde getijdengebed, 30-31.

[23] Bluyssen, Het vernieuwde getijdengebed, 16.

[24] Daarom is het ook van belang, de gebeden zoveel mogelijk op de daarvoor bestemde tijden te zeggen, en niet op één moment van de dag het gehele getijdengebed te bidden. Algemene inleiding op het getijdengebed nr. 10-11. Vgl. Sacrosanctum Concilium nrs. 88, 94

[25] Algemene inleiding op het getijdengebed nr. 4.

[26] Algemene inleiding op het getijdengebed nr. 28. Voetnoot aldaar: Vgl. Vaticanum II, Presbyterorum ordinis Decreet over het ambt en het leven van de priesters, nr. 13.

[27] Algemene inleiding op het getijdengebed nr. 108.

[28] Algemene inleiding op het getijdengebed nr. 28; vgl. 14; Sacrosanctum Concilium nr. 90.

[29] Algemene inleiding op het getijdengebed nr. 2. Vgl. Sacrosanctum Concilium nr. 99.

[30] Algemene inleiding op het getijdengebed nr. 6-7, 17; Pius XII, Encycliek Mediator Dei et hominum dd. 20 november 1947, nr. 2–3 ; Bluyssen, Het vernieuwde getijdengebed, 26-28.

[31] Augustinus, Meditatie op Psalm 86 (85), opgenomen in het getijdengebed, en wel in de lezingendienst van de brijdag van de vijfde week in de veertigdagentijd (jaar I); vgl. Pius XII, Mediator Dei et hominum 140–142.

[32] Algemene inleiding op het getijdengebed nr. 9, 20; vgl. Vaticanum II, Constitutie over liturgie Sacrosanctum Concilium nr. 26.

[33] Algemene inleiding op het getijdengebed nr. 108.

[34] Algemene inleiding op het getijdengebed nr. 19, 104. Vaticanum II, Constitutie over liturgie Sacrosanctum Concilium nr. 90.

[35] Bluyssen, Het vernieuwde getijdengebed, 39.

[36] Joseph Ratzinger, Jezus van Nazareth Deel 1: Van de doop in de Jordaan tot de Gedaanteverandering (Tielt: Lannoo: 2007), 138; vgl. Sacrosanctum Concilium nr 98.

[37] Algemene inleiding op het getijdengebed nr. 102.

[38] Ratzinger, Jezus van Nazareth Deel 1, 137.

[39] Algemene inleiding op het getijdengebed nr. 108.

[40] C.S. Lewis, Surprised by Joy: The Shape of my early Life (1955; rpt. London: Fount Paperback, 1977), 53–55.

[41] Opmerkelijk is, dat de Proeve van het Dienstboek van de SoW-kerken zelfs weer een vorm van getijdengebed kent. SOW-kerken, Dienstboek, een proeve: Schrift, maaltijd, gebed (Zoetermeer: Boekencentrum 1998), 1168vv van het Dienstboek van de SoW-kerken zelfs weer een vorm van getijdengebed kn wij de vervulling ervan te zien .

[42] George Puchinger, ‘Vragen over de verhouding van Rome en Reformatie: Gesprek met Karl Barth,’ Trouw 5 augustus 1965. Op internet toegankelijk via www.karlbarth.nl.

[43] Janet Martin Soskice, Metaphor and Religious Language (Oxford: Clarendon, 1985).

[44] Sallie McFague, Metaphorical Theology: Models of God in Religious Language (London: SCM, 1982), 13. Vgl. Vincent Brümmer, On Meaning and the Christian Faith (Aldershot: Ashgate, 2006), 145.

Delen

Spreekt dit u aan? Deel het dan via de social media.